Hanna de Vos 16 april 2020

Highlight #14: Koningin van de kattenkunst

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ nemen onze redacteuren jullie daarom mee naar een van hun favorieten. Hanna vertelt dit keer over de kattenkunst van Henriëtte Ronner-Knip.

Vier spelende kittens die over een piano klauteren en een moederkat die alles van een afstandje rustig in de gaten houdt; dit klinkt verdacht veel als een scène uit Disney’s De Aristokatten. Het enige dat nog ontbreekt is een mega roze strik bovenop het hoofd van één van de kleine katjes. Maar Walt Disney heeft hier helemaal niks mee te maken. We hebben het namelijk over het werk De pianoles, rond 1890 gemaakt door Henriëtte Ronner-Knip (1821-1909) en tegenwoordig te bewonderen in de collectie van het Teylers Museum. In de negentiende eeuw wordt het hot om huisdieren te hebben; geen hond om het huis te bewaken of een kat om muizen te vangen, maar furry little friends die je aan al je vrienden kan laten zien. Huisdieren vormen vanaf nu als troeteldiertjes een belangrijk onderdeel van het gezin. Vooral de kat, als personificatie van luxe en klasse, doet het goed. Henriëtte Ronner-Knip schildert oorspronkelijk allerlei soorten dieren – honden, koeien, paarden, you name it – maar naarmate de populariteit van de salonkat toeneemt, begint ze bijna uitsluitend katten te schilderen. Zo ontpopt ze zich tot de onbetwiste koningin van de kattenkunst.

 

Henriëtte Ronner-Knip, ‘De Pianoles’, ca. 1890-1897, Collectie Teylers Museum, Aangekocht met steun van de BankGiro Loterij, 2012.

Schilderen zit Ronner-Knip in het bloed. Al op jonge leeftijd rolt ze het vak in wanneer haar vader, die tot dan toe brood op de plank brengt met het schilderen van landschappen, langzaamaan blind wordt. Ook later is ze in haar eigen huwelijk, door de slechte gezondheid van haar man, verantwoordelijk voor het inkomen van de Ronner-Knipjes. Haar eerste schilderij verkoopt Ronner-Knip al op haar vijftiende en er volgt een schildercarrière die barst van de girlpower. Zo wordt ze als eerste werkende vrouw toegelaten tot Arti et Amicitiae, de belangrijkste vereniging voor beeldend kunstenaars in Nederland, en sleept ze ook nog even onderscheidingen in de Orde van Oranje-Nassau en de Orde van Leopold I binnen – eveneens ongehoord voor een vrouw van haar tijd. In Brussel, waar ze in 1850 met haar kersverse hubby naartoe verhuist, schildert ze de koninklijke schoothondjes van de gravin van Vlaanderen en de koningin van België en ze krijgt meerdere prijzen voor haar deelnames aan tentoonstellingen. Ronner-Knips werken doen het vooral goed doordat ze haar katten echte karakters en emoties meegeeft. Dat zien we ook op De pianoles; één katje verstopt zich voorzichtig achter een boek vol bladmuziek terwijl een ander parmantig over de pianotoetsen stampt. Een derde kijkt nieuwsgierig onder de klep van de piano om te zien waar dat geluid nou toch vandaan komt. Mama kat heeft het allemaal wel eens eerder gezien en let er vooral op dat haar kroost niet zomaar van de piano afdondert – dan zal ze ineens vliegensvlug in actie komen. Dit zijn duidelijk portretten van echte, levende katten; ze lijken elk moment uit het schilderij te kunnen springen, zó onze schoot op.

 

Henriëtte Ronner-Knip, ‘Katje’, 1896. Collectie Teylers Museum

Ondanks haar eigentijdse populariteit is er in latere periodes niet altijd even positief tegen het werk van Ronner-Knip aangekeken. Haar schilderijen zouden niet vernieuwend genoeg zijn en bovendien te schattig en frivool – kortom, te “vrouwelijk”. Dit riedeltje klinkt ons bekend in de oren, want dit soort kritiek krijgt “vrouwenkunst” wel vaker te verduren. Kijk bijvoorbeeld alleen al naar Ronner-Knips eigen tijd. In de negentiende eeuw gingen échte kunstenaars naar buiten. De uitvinding van de verftube, waarin verf langer bewaard én vervoerd kon worden, opende de deuren van de ateliers naar de wereld daarbuiten. Denk aan werk van Monet of van Gogh en je ziet hoogstwaarschijnlijk zonnige korenvelden, idyllisch begroeide vijvers of juist de drukbevolkte straten van Parijs voor je. Kleine kink in de kabel; vrouwen mochten niet zomaar zonder chaperonne over straat flaneren, laat staan de natuur in trekken. Hun leven speelde zich binnenshuis af en hun kunst daardoor ook. Maar ja, de heetste kunstwerken van het moment werden toch echt in de buitenlucht geschilderd. Conclusie? No way dat deze vrouwen échte kunstenaars konden zijn. Dat slaat natuurlijk nergens op, maar het raakt wel de kern van het probleem. Historisch gezien zijn vrouwen binnen de kunst altijd een beetje buitengesloten. Zo mochten ze in Nederland bijvoorbeeld pas vanaf 1861 les volgen aan de kunstacademies en werden ze nog langer uitgesloten van het bestuderen van naaktmodellen – noodzakelijk om de anatomie van het menselijk lichaam te leren kennen. Terwijl vrouwen de soort kunst maakten die binnen hun eigen leefwereld mogelijk was (bijvoorbeeld bloemstillevens, huiselijke scènes, portretten en natuurlijk een heleboel kattenschilderijen), werd de standaard van wat ‘echte’ kunst is juist bepaald door die kunstenaars, critici en kunsthistorici die zich niet hoefden te laten afremmen door dit soort restricties; door mannen dus.

 

Jan Asselijn, ‘De bedreigde zwaan’, ca. 1650, Rijksmuseum, Amsterdam

Nu schetsen we misschien het beeld dat kunst gemaakt door vrouwen helemaal op zichzelf zou staan, maar niets is minder waar. De katten van Henriëtte Ronner-Knip bijvoorbeeld vallen binnen een eindeloze traditie van dieren binnen de kunst. Van grottekeningen uit de prehistorie – overigens waarschijnlijk ook gewoon door vrouwen gemaakt – tot in onze huidige tijd. Wat dacht je bijvoorbeeld van Paulus Potters grootste hit De stier, Le Chat Noir van Théophile Steinlen of de tijgerhaai die Damien Hirst in 1991 in een tank vol formaldehyde propte? Dieren kunnen een symbolische betekenis hebben; zo representeert een hond de huwelijkse trouw en een slang het kwaad. De oude Grieken zagen de uil als het ultieme teken van de wijsheid, maar in de zestiende eeuw werd deze nachtvogel juist aan schilderijen toegevoegd om domheid te symboliseren. In de middeleeuwen fungeerden dieren dan weer als sidekicks van bepaalde heiligen. Wanneer je destijds een schildering van een man met een haan tegenkwam, wist je meteen dat je hier hoogstwaarschijnlijk met Sint Petrus te maken had – als je de Bijbel tenminste braaf uit je hoofd had geleerd. Men gaf ook wel eens een politiek tintje aan een bepaald dier, zoals Jan Asselijn in de zeventiende eeuw deed met zijn Bedreigde zwaan. Deze zwaan, die woest intimiderend haar vleugels en poten spreidt, zou haar nest net zo fel verdedigen als raadspensionaris Johan de Witt destijds de Nederlandse Republiek beschermde. Menig koning of keizer is bovendien afgebeeld op de rug van een steigerend paard. Zo lieten ze zien dat ze hun onderdanen, net als dit opstandige paard, helemaal onder de duim hadden.

De arme kat werd in de Westerse kunst vaak weggezet als een slinks, gevaarlijk en sensueel beest. Katten zouden bffs met de duivel zijn, de metgezellen van heksen en van prostituees. In de negentiende eeuw kwam hierin de omslag, mede dankzij Henriëtte Ronner-Knip. Tegenwoordig zijn katten niet meer weg te denken uit onze beeldcultuur. We kennen allemaal wel iemand die – met variërend succes – een Instagram-account heeft aangemaakt voor zijn of haar kat, inclusief onderschriften die in gebrekkig Engels zouden zijn geschreven door Miss Kitty herself. Youtube staat vol met filmpjes van katten die zich rot schrikken van komkommers en we sturen elkaar voortdurend kattenmemes en -gifjes via Whatsapp. Sinds de negentiende eeuw is er, behalve het medium, eigenlijk vrij weinig veranderd aan onze collectieve kattenliefde. Stiekem was de kunst van Henriëtte Ronner-Knip dus gewoon #catstagram avant la lettre.

Hannas Highlight, De Pianoles van Henriëtte Ronner-Knip is onderdeel van de collectie van het Teylers Museum in Haarlem.