Ik zak licht door mijn knieën en buig een beetje naar voren. Ik kantel mijn hoofd, zodat ik haar recht kan aankijken. Ze ligt op haar wang, de ogen gesloten, haar haren in een knotje. Ze slaapt. Het is juli, en samen met een handvol andere Nederlandse journalisten sta ik – op uitnodiging van H’ART Museum – in het depot van Centre Pompidou in Parijs, dat bij hoge uitzondering toegang verleent aan buitenstaanders. De locatie is strikt geheim en we mogen geen foto’s maken. Op een restauratietafel voor ons ligt De slapende muze (La muse endormie) uit 1910, een van de bekendste ‘portretten’ van de Roemeens-Franse kunstenaar Constantin Brancusi (1876–1957) – gekenmerkt door de gestileerde vormen en gelaatstrekken die zijn teruggebracht tot een paar simpele lijnen. Het werk is ontzettend kwetsbaar, één vingerafdruk en het moet volledig opnieuw gepolijst worden. We zijn heel voorzichtig: de eivormige sculptuur wordt hét topstuk van de tentoonstelling Brancusi, The Birth of Modern Sculpture in H’ART Museum in Amsterdam.
GO | NO GO #422: Een zeldzame ontmoeting met Constantin Brancusi
Gaan of niet gaan: dat bepaal je zelf. Wij geven je – met een kritische blik – tips voor tentoonstellingen. Onze redacteur Sanne de Rooij bezocht ‘Brancusi, The Birth of Modern Sculpture’ in H’ART Museum in Amsterdam.
Het is niet de eerste keer dat ik werk van deze kunstenaar zie. Wanneer ik in Parijs ben, bezoek ik steevast Atelier Brancusi, een klein, onopvallend gebouw aan het Place Georges Pompidou. De in Roemenië geboren kunstenaar woonde en werkte van 1904 tot zijn dood in 1957 in Parijs, waar hij het grootste deel van zijn werk maakte. Brancusi – die bij zijn aankomst in Frankrijk afstand deed van de Roemeense uitspraak en diakritische tekens in zijn achternaam – liet na zijn overlijden zijn hele atelier na aan de Franse staat, op voorwaarde dat de indeling intact zou blijven. Naast het Centre Pompidou werd een exacte reconstructie van zijn werkplaats gecreëerd: een gratis toegankelijke tentoonstellingsruimte én een totaalkunstwerk op zich. De komende vijf jaar zijn het Centre Pompidou en daarmee ook Atelier Brancusi gesloten wegens renovatiewerkzaamheden. Vorig jaar organiseerde het Parijse museum Brancusi’s grootste overzichtstentoonstelling ooit, met meer dan vierhonderd sculpturen, tekeningen, foto’s en archiefstukken. Nu is een kleine selectie daarvan naar het H’ART Museum in Amsterdam afgereisd – een zeldzame kans om zoveel van Brancusi’s werk buiten Parijs te zien.
Na zijn kunstopleiding in Roemenië vestigde de 28-jarige Brancusi zich in Parijs, waar hij al snel werd opgemerkt door de Franse beeldhouwer Auguste Rodin (1848-1917). In 1907 werkte hij korte tijd als diens assistent, maar al snel besloot hij zijn eigen weg te gaan. Een sleutelwerk uit die vroege periode is De slapende muze, dat we al mochten bewonderen in Parijs, een ‘portret’ van Brancusi’s goede vriendin en barones Renée Irana Franchon (1881-1983). Het bronzen, gestileerde hoofd is het openingsstuk van de tentoonstelling in Amsterdam. Een begrijpelijke keuze, het markeert een radicale breuk met de academische traditie: het klassieke borstbeeld maakt plaats voor enkel een rustend hoofd. Volgens Brancusi draaide de beeldhouwkunst niet om een natuurgetrouwe weergave, maar om het terugbrengen van de wereld tot haar meest wezenlijke vorm – de essentie. Zijn zoektocht naar die essentie en radicale vereenvoudiging van de werkelijkheid in zijn sculpturen wordt goed zichtbaar in H’ART Museum. De prachtig vormgegeven tentoonstelling volgt een thematische route, gebaseerd op de grote reeksen uit het artistieke leven van Brancusi – portretten, dieren, licht en beweging. Een absoluut hoogtepunt vormt de poëtische reeks geabstraheerde dieren – een zwaan, een vis, een schildpad, een haan – waarin Brancusi de essentie van de wezens wist te vangen. Zijn Zeehond II (Phoque II) (1943), uitgevoerd in blauw-grijs marmer, is een mooi voorbeeld. Details als vinnen, snorharen en de structuur van de dikke vacht liet hij weg, en tóch lijkt het dier klaar om het water in te glijden. In zijn werk wist Brancusi klassiek en modern, en figuratie en abstractie te verenigen – een beeldtaal die ogenschijnlijk eenvoudig, maar in wezen uiterst doordacht is.
De tentoonstelling opent met een wel heel gedurfde uitspraak: ‘De kunstenaar wordt wereldwijd beschouwd als de grondlegger van de moderne beeldhouwkunst.’ Dat zijn grote woorden, zeker wanneer in zowel de tentoonstelling als de catalogus herhaaldelijk wordt benadrukt hoezeer Brancusi inspiratie vond in archaïsche sculpturen uit de Griekse Cycladen en West-Afrikaanse landen. Kunstwerken die hij gezien moet hebben tijdens zijn vele bezoeken aan het Louvre en het Musée d’Ethnographie in Parijs. Zijn beeldtaal wortelt in eeuwenoude tradities van gestileerde beeldhouwkunst die sterk afweek van het naturalisme. In de westerse kunstgeschiedenis zijn deze kunstvormen veelal beschouwd als ‘pre-modern’ of ‘primitief’. Gelukkig erkennen veel hedendaagse kunsthistorici inmiddels dat Brancusi en vele andere kunstenaars in het Parijs van de jaren twintig deze elementen niet ‘ontdekten’, maar zich toe-eigenden. Brancusi vereenvoudigde zijn werken nóg meer en dat hij daarmee in zijn tijd uitzonderlijk vernieuwend was, is geen twijfel over mogelijk. Maar wat mij betreft vond die ‘geboorte van de moderne beeldhouwkunst’ al veel eerder plaats – en op meerdere continenten tegelijkertijd. Brancusi was bovendien niet de enige die experimenteerde met nieuwe benaderingen van vorm en beweging in de beeldhouwkunst. Al vóór hem bewogen kunstenaars als Rodin en Camille Claudel (1864–1943) zich richting een modernere, meer suggestieve vormentaal. Van volledige abstractie was nog geen sprake, maar de weg ernaartoe werd steeds duidelijker zichtbaar. Ook tijdgenoten als Jacob Epstein (1880–1959), Umberto Boccioni (1882-1916), Sophie Taeuber-Arp (1889–1943) en Henri Gaudier-Brzeska (1891–1915) zochten in hun werk naar vergelijkbare vormen van abstractie. Juist daarom is het jammer dat het H’ART Museum deze bredere context nauwelijks belicht. Een gemiste kans om naast het werk van de al vaak gevierde kunstenaar ook nieuwe inzichten of een hedendaags perspectief te bieden op de rijke ontwikkeling van (‘pre’-)moderne beeldhouwkunst. Toch is de tentoonstelling een bijzondere gebeurtenis: het Centre Pompidou leent Brancusi’s uiterst kwetsbare werken zelden uit. Het is dus een unieke kans om hoogtepunten uit zijn oeuvre dicht bij huis te bewonderen – niet per se verrassend, maar wel héél erg genieten.
Zelf bezoeken?
Ook buiten Europa was Brancusi’s radicale abstractie nog niet vanzelfsprekend. In 1927 raakte de kunstenaar verwikkeld in een rechtszaak met de Amerikaanse douane. De rechter moest bepalen of Brancusi’s werk een industrieel massaproduct was – waarover hij hoge invoerkosten zou moeten betalen – of een uniek kunstwerk. De zaak leidde tot een baanbrekende uitspraak die van grote invloed was op de erkenning van abstracte beeldende kunst in de Verenigde Staten. Toef Jaeger vertelde het hele verhaal in de NRC.