Terwijl overal in Europa steden het gruis van de Tweede Wereldoorlog van zich afwierpen, hoorde je in Londen nog een ander geluid. De stad riep, en kunstenaars kwamen in grote getalen om zich te laten inspireren. Inmiddels wereldberoemde namen zoals Francis Bacon, David Hockney, Paula Rego en Lucien Freud settelden zich in de Britse hoofdstad – nu rekenen we ze tot de School of London. Wat hen verbond, was hun interesse in de figuratieve schilderkunst. Dat was destijds een bold move, want de kunstgeschiedenis had al een tijdje afscheid genomen van de figuratie ten faveure van het abstract expressionisme, het minimalisme en het conceptualisme. De Londense kunstenaars wilden de wereld echter niet vervormen, maar vastleggen zonder filters.
GO | NO GO #441: Londen riep en kunstenaars kwamen
Gaan of niet gaan: dat bepaal je zelf. Wij geven je – met een kritische blik – tips voor tentoonstellingen. Deze keer ging onze redacteur Silke Drevel naar het Kunstmuseum in Den Haag voor de tentoonstelling ‘London Calling’.
Rauw, plastisch, met oog voor detail; mensen, straatbeelden, maar ook stillevens werden met brute eerlijkheid getoond. Confronterende beelden, nu nog. Het Kunstmuseum in Den Haag gaat die confrontatie niet uit de weg: zij hebben deze juist binnengehaald. In de tentoonstelling London Calling word je voorgesteld aan de leden van de informele Londense groep. Meteen valt op wat hen bindt: niet alleen hun woonplaats en de rol van de stad in hun werk, maar ook een gedeelde fascinatie voor het lichaam. Qua stijl ging elke kunstenaar zijn of haar eigen weg: ieder van hen gaf op eigen wijze betekenis en vorm aan het lichaam. Een uitnodiging om te kijken en te vergelijken.
Boy Smoking (1950-1951) is klein van formaat, maar groot qua impact. Het hoofd van de rokende jongen neemt bijna het hele doek (dat niet groter is dan een ansichtkaart) in beslag. In dit vroege werk van Lucian Freud (1922-2011) is nog een gladde verftoets te zien. Het contrast met de harde lijnen in het gezicht en de doordringende blik van het model, een buurjongen en vriend van Freud, maken het moeilijk om weg te kijken. Het werkje hangt tussen andere portretten die Freud maakte; samen laten ze Freuds ontwikkeling als kunstenaar zien, vooral als het gaat om de uitdrukking van vlees en huid. Waar Boy Smoking nog glad oogt, ziet de huid op Leigh Bowery (1991) er meer geleefd uit. Freud ging grovere kwasten, dikkere lagen verf en andere kleuren gebruiken. Deze latere stijl is wat Freud met name zo populair maakte: het roept een grote psychologische intensiteit op. Maar wat deze tentoonstelling zo goed aantoont: je kunt in dezelfde periode ook iets anders doen en eveneens heel populair worden. Enter David Hockney (1937). Hij is nooit nadrukkelijk ‘rauw’ gaan werken, maar speelde met kleur, licht en schaduw om het lichaam levensecht weer te geven. Dit is bijvoorbeeld goed te zien in het werk My Parents (1977). Op het eerste gezicht lijkt het een gladgestreken schilderij, vrolijk en geïdealiseerd; het tegenovergestelde van de stemmige en aangrijpende werken van Freud. Maar kijk dan eens goed naar het gezicht van de moeder: de fronsrimpel tussen haar wenkbrauwen, de losse huid van haar nek en de lijnen naast haar rechtermondhoek – niks is weggepoetst. Ze hebben toch meer gemeen dan je zou denken.
Door de indeling van de tentoonstelling en de layout van het gebouw is het onontkoombaar: een aantal kunstenaars krijgt veel ruimte, anderen minder. Door de tentoonstelling in te delen per kunstenaar, in plaats van (bijvoorbeeld) chronologisch of per thema, zijn de eerste grote zalen al gauw bezet door The Greats: Francis Bacon, David Hockney en Lucian Freud, en moet de rest een plekje zien te veroveren in de nissen op de gang. Toch wel jammer, want het voelt meteen hiërarchisch. De nisjes bieden daarentegen wel de kans voor een intieme kennismaking met minder bekende kunstwerken. Ik kon zonder afleiding kijken naar Melanie and Me Swimming (1978-1979) van Michael Andrews. Op dit grote schilderij zie je Andrews zijn dochtertje zwemles geven. Het is een ontroerend schilderij: de onhandigheid waarmee het meisje zich vastklampt aan haar vader, met haar natte haar deels in haar gezicht, vormt een prachtige tegenstelling met de kalmte en toewijding van haar vader. Ze worden omringd door zwart water, in de verte is de oever nog net te zien. Ze zijn helemaal alleen, maar haar vader heeft haar stevig vast. Er kan niks gebeuren. Dezelfde intimiteit vond ik ook even verderop bij het werk Painter and Model (2012) van Celia Paul. We zien de kunstenaar zelf zitten in haar schildersjas. Mijn oog valt meteen op haar blote voeten die onder haar jas uitpiepen. Het maakt het portret erg intiem: alsof wij als goede vrienden van de kunstenaar even langswippen in haar atelier. Pauls enigszins vermoeide blik onderstreept dat gevoel: ze laat haar ware zelf op dat moment zien. Al met al roepen de kunstwerken in de nisjes wellicht niet zo hard om je aandacht als de werken in de grote zalen, maar hun welkom is misschien wel warmer.
Zelf bezoeken?
In de kunstpodcast The Great Women Artist gaat Katy Hessel in gesprek met Nick Willing, de zoon van School of London-kunstenaar Paula Rego. Hij vertelt over zijn beroemde moeder, haar leven, haar kunst en haar geweldige vermogen om verhalen vertellen. Luister de aflevering bijvoorbeeld hier.
overbeeld: Celia Paul, ‘Painter and Model’, 2012. © Celia Paul. Courtesy the artist and Victoria Miro.