Hoe de ooit gekraakte kunstruimte W139 steeds weer van gedaante wisselt voor een nieuwe tentoonstelling blijft mij iedere keer verbazen. De onverwacht hoge plafonds, die ooit een theater overkoepelden, bieden ruimte aan de meest spannende kunstwerken. De noodzaak van experiment voor kunstenaars stroomt dit instituut door het bloed, wat zorgt voor aangename ademruimte en verrassingen. In de tentoonstelling Flour, water, soil stap je in een kalme en serene wereld. Er druppelt water in kleine bassins, hoopjes zand met zaden en potten liggen verspreid door de ruimte als kleine altaren, en een metershoog doek van meelzakken zweeft boven de werken als een soort bewaarder van alles wat zich hier afspeelt.
GO | NO GO #449: Tussen bloem, water en grond
Gaan of niet gaan: dat bepaal je zelf. Wij geven je – met een kritische blik – tips voor tentoonstellingen. Deze keer ging onze redacteur Laura Korvinus naar W139 in Amsterdam voor de tentoonstelling ‘Flour, water, soil’.
De tentoonstelling nodigt uit om na te denken over hoe grond, eten, werk, dood en leven met elkaar vervlochten zijn. Over hoe rituelen rondom eten of begrafenissen worden doorgegeven, maar ook kunnen worden onderdrukt. Welke rol voedsel kan spelen in onze herinneringen, en hoe grote, vaak gewelddadige, koloniale systemen proberen te controleren wat wel en wat niet mag worden bewaard. Centraal in veel kunstwerken staan alledaagse materialen: meel, uien, klei en kalk. Materialen die simpel lijken, maar waarmee de kunstwerken verhalen vertellen die gemengde gevoelens oproepen. Soms herinneren ze aan wat ons bekend is van thuis, zoals de geur van eten of een verhaal van een grootouder, en soms aan wat we kwijt zijn geraakt. Hoe dit gelaagde gevoel naar voren komt in de subtiele kunstwerken maakt deze tentoonstelling een bijzondere ervaring.
Veel van de kunstwerken gaan op hun eigen manier over rituelen. Ze belichamen hoe rituelen ruimte aan dubbelzinnigheid kunnen geven. Er is plek voor zowel rouw als voor eten, voor vieren en verliezen. De serene, stille ruimte voelt daardoor als een soort tussenruimte. Een plek waar leven en dood even naast elkaar bestaan. Ai Ozaki (1991) maakte potten van klei die gebaseerd zijn op vaten voor augurken, en tevens refereren aan urnen voor overledenen. Er zijn kleine gezichtjes in de klei geboetseerd, die gepekelde tranen huilen en witte sporen achterlaten op de kleihuid. Ze verzamelde de botten van haar overleden grootvader, en stopte ze met eetstokjes in de pot, een ritueel wat in het Japans kotsuage heet: het verzamelen van iemands as. Daarna at ze met dierbaren een feestmaal, wederom met eetstokjes. Daardoor voelde het alsof haar opa’s urn een onderdeel van hun lichaam werd, een vat in twee delen. De gezichtjes op het werk van Ozaki versterken het gevoel dat de tentoonstellingsruimte leeft, en dat degenen die zweven tussen leven en dood hier een rustige plek hebben gevonden. Ondanks deze bijzondere ervaring in stilte, voel ik de wens om hier samen te komen met anderen. Om te delen en te praten, gezamenlijk te kneden of te eten. Ik kan me voorstellen dat het een hele andere ervaring is wanneer deze ruimte wordt geactiveerd door mensen. Gelukkig is er een uitgebreid publieksprogramma van samenkomsten, workshops en activiteiten.
De gelaagdheid van de tentoonstelling strekt zich uit van rituelen naar herinneringen en verhalen die we aan elkaar overdragen. Het prachtige wandkleed van belit sağ (1980) gaat over de Turkse vrouwen die voor de groentenverwerkingsfabriek Gebroeders Ploegmakers werkten en in opstand kwamen voor betere arbeidsrechten in 1978. Op het kleed zijn de trotse vrouwen te zien nadat ze hun rechtszaak wonnen in 1979, geborduurd in zwart-wit. Het is een directe verwijzing naar de foto van kunstenaar Bertien van Manen (1935-2024), die in de jaren ‘70 wel vaker het leven van Turkse migrantenvrouwen met haar camera vastlegde. De patronen die met paarse garen het verdere kleed beslaan, baseerde belit sağ op de kleding die de vrouwen droegen op de foto. Het enorme geweven oppervlak van het wandkleed maakt de handarbeid van de vrouwen, intrinsiek aan het fabriekswerk, invoelbaar. Daarnaast is een video te zien waarin verschillende generaties vrouwen vertellen over de opstand. De beelden worden afgewisseld met archiefbeelden waarop de vrouwen te zien zijn. In de video reflecteren ze al lachend en denkend op de archiefbeelden, waarop ze elkaar herkennen en zo hun herinneringen opnieuw herleven. Af en toe focust de camera op hun handen. Juist hun handen brengen me terug naar de andere werken in de tentoonstelling; het zijn onze handen die we gebruiken terwijl we vertellen, werken, zorgen en eten. Een week nadat ik de tentoonstelling heb bezocht, krijg ik een telefoontje. Mijn opa is gevallen, en hij zal niet meer wakker worden. Ik zie hoe mijn moeder mijn opa’s hand vasthoudt aan zijn ziekenhuisbed, een hand waarmee ze hem gidst door de tussenruimte tussen leven en dood. Als ik mijn ogen sluit en aan de tentoonstelling denk, voel ik me opnieuw verbonden met hem.
Zelf bezoeken?
Het publieksprogramma van de tentoonstelling is niet alleen uitgebreid, maar zit ook vol bijzondere activiteiten waarbij ontmoetingen centraal staan. Zo is er een workshop om je eigen klei-oven te bouwen, en daarnaast ook een avond waarop de klei-oven gebruikt wordt om samen te koken en eten, waarbij je onder andere leert over vergeten recepten. Ook worden er films getoond, en wordt de tentoonstellingsruimte zelfs getransformeerd tot een markt. Bekijk hier de hele programmering.
Coverbeeld: Exterior W139 for flour, water, soil, photography: Sander van Wettum