In de naam van transparantie en een zelf opgelegde journalistieke ethiek moet ik dit artikel met een disclaimer beginnen: ik ben al zo’n zes jaar de zelfbenoemde voorzitter van de Helen Frankenthaler Fanclub (aantal leden: 1). De afgelopen jaren ben ik half Europa afgereisd om haar tentoonstellingen te bezoeken, van Londen tot Bilbao en van Italië tot Zwitserland. Mijn hart en bankrekening deden dan ook een sprongetje toen ik zag dat er in Nederland een tentoonstelling zou komen met de werken van de Grande Dame van het abstract expressionisme. Dat er nog een naam op de poster stond, was me nauwelijks opgevallen, maar na deze tentoonstelling zal ik de naam ‘Donald Judd’ nooit meer over het hoofd zien.
GO | NO GO #472: Het beste uit de verf
Gaan of niet gaan: dat bepaal je zelf. Wij geven je – met een kritische blik – tips voor tentoonstellingen. Deze keer ging onze redacteur Silke Drevel naar Kunsthal KAdE in Amersfoort voor de tentoonstelling ‘Frankenthaler / Judd’.
Helen Frankenthaler (1928-2011) en Donald Judd (1928-1994) hebben naast wat overeenkomsten (geboortejaar: 1928, beroep: kunstenaar, stad waar ze lang werkten: New York) verrassend weinig gemeen. Frankenthaler kwam uit een rijke en vooraanstaande familie in New York. In 1951 was ze, op haar drieëntwintigste, de jongste kunstenaar die exposeerde in de eerste grote tentoonstelling van het abstract expressionisme. Ook bedacht en ontwikkelde ze haar eigen schildertechniek: soak-stain, het aanlengen van verf met terpentine om deze vervolgens te gieten op een onbewerkt (vaak groot) doek dat ze op de grond had geplaatst. Het leven van Judd liep in diezelfde tijdspanne iets anders. Zijn familie behoorde tot de middenklasse en verhuisde veel voor het werk van Judd senior. Naast het maken van kunst, ging Judd filosofie en kunstgeschiedenis studeren aan Columbia University, en verdiende hij in eerste instantie zijn geld als kunstcriticus. Pas in de jaren 60 maakte Judd zijn doorbraak als kunstenaar. Met zijn driedimensionale, geometrische sculpturen, wordt hij gezien als een belangrijke vertegenwoordiger van het minimalisme. Aanvankelijk maakte hij zijn werken zelf, maar vanaf 1964 liet hij de uitvoering over aan ambachtslieden en fabrikanten. Dit in groot contrast met Frankenthaler, die tot aan haar dood zelf het penseel bleef hanteren, ook al moest ze op latere leeftijd kiezen voor kleinere doeken. Waar Frankenthalers werken dynamisch, expressief en kleurrijk zijn, gebruikte Judd veel strakke vormen, industriële materialen en primaire kleuren. De twee lijken op artistiek vlak eerder vreemden dan vrienden, dus waarom delen ze nu wel vierkante meters in deze tentoonstelling in Amersfoort?
De tentoonstelling introduceert beide kunstenaars afzonderlijk met een eigen ruimte, eerst Frankenthaler en dan Judd. Maar in de rest van de tentoonstelling worden de twee samen, of misschien wel juist tegenover elkaar, geplaatst. Hierdoor is de kans groot dat je ze bewust of onbewust gaat vergelijken. Het wordt misschien zelfs wel een soort wedstrijdje. Wie vind ik leuker, mooier, beter? Wat spreekt mij meer aan? En als twee kunstenaars die in stijl zover uit elkaar liggen als Frankenthaler en Judd naast elkaar gezet worden, is de wedstrijd misschien wel snel gelopen. De kans is groot dat het ene je nou eenmaal meer aanspreekt dan het ander. Dat had ik ook, vooral in de ruimte waarin een sculptuur van Frankenthaler (verrassend!) in het midden stond, met prenten van Judd (ook verrassend!) aan de wand. Frankenthalers Heart of London Map (1972) is expressief en een beetje vreemd. Het is een losse hartvorm met armen, geplaatst op een soort pilaar. De stalen lijnen en vormen gaan alle kanten op, en komen sterk overeen met hoe Frankenthaler schildert. De houtgravures van Judd kwamen er in deze vergelijking wat bekaaid vanaf, als je het mij vraagt. Vier donkergroene vlakken met horizontale lijnen naast vier donkerrode vlakken met horizontale lijnen eisten mijn aandacht niet op. En dat is compleet te danken aan, of de schuld van, de spannende sculptuur van Frankenthaler, die ook nog eens letterlijk de spotlight heeft gekregen in deze zaal. Judd stond dus al 1-0 achter.
Het leuke aan het abstract expressionisme is dat het je fantasie de vrije loop laat gaan. De opvallende kleuren, abstracte vormen en vaak poëtische titels geven je als kijker de ultieme vrijheid om erop los te interpreteren. Doorgaans vind ik het dus niet zo erg als er geen tot weinig uitleg is bij abstracte schilderijen. Zoals bij het bijna vier meter lange werk Duchess (1978) van Frankenthaler. Het grote doek bestaat uit verschillende aardekleuren met hier en daar kleine vlekjes kanariegeel en kobaltblauw. De titel geeft het werk iets elegants, maar er valt niet te ontcijferen waar dit schilderij haar adellijkheid aan heeft verdiend. Je kunt dus niets anders dan gewoon genieten van de verrassingen die de kleuren te bieden hebben. Toch is deze tentoonstelling op andere plekken best hard werken. Twee kunstenaars die weinig overeenkomsten hebben, en die bovendien werkten in stromingen die überhaupt weinig houvast bieden – ik verlangde naar iets meer tekst en uitleg. Daarbij is er vaak letterlijk geen ruimte om de werken van de twee kunstenaars afzonderlijk goed te bekijken. Zo hangen in de grootste ruimte vijf grote doeken van Frankenthaler aan de wand, naast twee kleurrijke, langwerpige kubussen van Judd. Alle kunstwerken zijn zo groot van formaat dat ze elkaar verdrukken. Dat maakt nadenken over hun relatie tot elkaar moeilijk, waardoor mijn scepsis groeit. Hebben Judd en Frankenthaler echt baat bij elkaar? Als voorzitter van de HF Fanclub zou ik zeggen dat Frankenthaler inmiddels genoeg naam heeft gemaakt in Europa dat ze ook in Nederland prima een solotentoonstelling kan dragen. Uiteindelijk voelt de tentoonstelling nog het meest als twee solo’s die in elkaar geschoven zijn. Als je voor Frankenthaler was gekomen, dan krijg je er een tentoonstelling bij die je anders misschien niet had bezocht, en vice versa. Persoonlijk zal ik Judd vooral onthouden als de man die Frankenthaler zo goed uit de verf liet komen.
Zelf bezoeken?
Ben je nieuwsgierig geworden naar Frankenthaler, en wil je misschien meer weten over haar en de andere vrouwen van het abstract expressionisme? Dan kan ik het boek Ninth Street Women: Lee Krasner, Elaine de Kooning, Grace Hartigan, Joan Mitchell, and Helen Frankenthaler van Mary Gabriel zeer aanraden. Het boek beschrijft de levens van de vijf vrouwelijke kunstenaars die zo belangrijk zijn geweest voor de kunststroming.
Coverbeeld: Helen Frankenthaler, ‘Santorini’, 1965