Categorie: HIGHLIGHTS

HIGHLIGHT #9 | De ingesnoerde vrouwen van Man Ray | Museum Boijmans van Beuningen

HIGHLIGHTS 28 februari 2017

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ neemt een van De Kunstmeisjes jullie daarom mee naar een van haar favorieten. Deze keer staat Nathalie stil bij artistieke bondage in Museum Boijmans van Beuningen.  

Ik heb een grote liefde voor oude kunst die in een nieuw jasje wordt gegoten, of het nu grappige memes op Instagram zijn, of werken van nieuwe generaties kunstenaars die kijken naar de kunstgeschiedenis als een bron van inspiratie. Ergens tussen een dikke knipoog naar het verleden en een bloedserieuze boodschap zit Man Ray (1890-1976). In Rotterdam kun je zijn Venus Restaurée zien, een bewerking van een klassieke sculptuur die alsmaar intrigerender wordt naarmate je meer leert over Man Ray zelf.

man-ray-venus-restauree
Man Ray, ‘Venus Restaurée (Gerestaureerde Venus)’, 1936 (1971), Collectoe Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam.

Wat we zien is vrij simpel: een afgietsel van een klassieke buste, die Man Ray vervolgens heeft ingesnoerd met touwen. Dan kijken we nog een keer naar de titel: Venus Restaurée, de gerestaureerde Venus. Hier wordt het dus echt interessant, want wat heeft Man Ray nu eigenlijk gerestaureerd? Als hij het klassieke beeld terug zou willen brengen naar de oorspronkelijke staat, zou Venus toch wel haar armen en haar hoofd hebben teruggekregen? In plaats daarvan heeft Man Ray haar vastgebonden, bondage style. Terwijl ik blijf staren naar de ruwe touwen die in het quasi-marmeren vlees snijden, vraag ik me af: zegt dit beeld iets over Man Ray’s visie op kunst, of over zijn blik op vrouwen?

Man Ray was een dadaïst en surrealist, en vooral dat eerste kan de kinky Venus wellicht meer betekenis geven. Dada is een kunststroming die ontstond na de Eerste Wereldoorlog, toen men hard op zoek was naar de betekenis van het leven in een wereld die bijna was verwoest. Normen en waarden werden op de schop genomen en ‘oude kunst’ deed het ‘m niet meer. Kunst werd anti-kunst: het moest shockeren, zich afzetten tegen de ‘goede smaak’ en materialisme, vaak met een flinke dosis humor en ironie. Met Venus restaurée zet Man Ray zich zeker af tegen oude kunst en ‘goede smaak’, helemaal conform de regels van het dadaïsme. Maar wanneer we ons verder verdiepen in zijn liefdesleven, krijgt de ingesnoerde vrouw toch wellicht een iets andere betekenis.

michel-sima-man-ray-in-front-of-a-portrait-of-kiki-de-montparnasse
Michel Sima, ‘
Man Ray in front of Kiki de Montparnasse’s portrait’, 1954

In een interview werd Man Ray gevraagd: “Looking back at your life, what would you say had satisfied you most?” Hij antwoordde:  “I think…women.” Vrouwen spelen een grote rol in het werk van de Amerikaanse kunstenaar, die op 21-jarige leeftijd zijn naam Emmanuel Radnitzky verkortte tot Man Ray en naar Parijs verhuisde. Hij werd fotograaf voor onder andere Vogue, Harper’s Bazaar en Vanity Fair, terwijl hij ondertussen werkte aan zijn autonome kunst. In Parijs ontmoette hij Kiki de Montparnasse, ster van het cabaret en muze voor vele kunstenaars en schrijvers. Zij werd ook Man Ray’s muze en zijn minnares. Hij maakte talloze foto’s en schilderijen van haar, waaronder de wereldberoemde beschilderde foto Le Violon d’Ingres (zie onder).

Geïnspireerd op het classicistische schilderij De baadster van Ingres, heeft Man Ray Kiki in een andere vorm gegoten. Ze is armloos gemaakt, zodat haar rug nog meer de vorm van een viool aanneemt. Is dit een humoristische, dadaïstische bewerking van oude kunst, of toch iets anders? ‘Un violon d’Ingres’ is een Franse uitdrukking voor een hobby die je met passie uitoefent. Waar voor Ingres vioolspelen zijn grote hobby was (vandaar de uitdrukking), lijkt Man Ray hier echter “zijn” Kiki hier te bespelen. Ze is volledig geobjectiveerd in deze foto, overgeleverd aan de vingers van Man Ray. Maar Kiki was een ontembare vrouw en hun relatie was zeer explosief. Na zes jaar verbrak Man Ray zijn relatie met Kiki de Montparnasse. Hij had een nieuwe liefde ontmoet, de zeventien jaar jongere Lee Miller.

download
Man Ray, ‘
Le Violon d’Ingres’, 1924. Collectie the J. Paul Getty Museum, Los Angeles

Man Ray raakte gefascineerd door zijn nieuwe muze, verlangde zo sterk naar haar dat hij haar helemaal voor zichzelf wilde hebben. Lee wilde echter vrij zijn, zich niet overgeven aan de regels van exclusiviteit. Man Ray gaf haar een ultimatum: “You must arrange to live as my wife, married or not.” Ze verliet hem, om uiteindelijk te trouwen met een andere man (en daarna nog een andere man, go figure). Man Ray bleef achter, verlaten en verbitterd. Hij nam een van zijn kunstwerken uit 1923, een readymade metronoom, en bewerkte dit tot Object to be Destroyed. Hij voegde hier duidelijke instructies bij, voor degenen die zelf zo’n object wilden maken als hun hart gebroken was: “Cut out the eye from the photograph of one who has been loved but is seen no more. Attach the eye to the pendulum of a metronome and regulate the weight to suit the tempo desired. Keep going to the limit of endurance. With a hammer well-aimed, try to destroy the whole at a single blow.”

Man Ray’s kunstwerken geven ons een inzicht in zijn liefdesleven en in zijn houding ten opzichte van vrouwen, deze vrouwen in ieder geval. Hij wilde Kiki bespelen, Lee kapot maken omdat ze hem had verlaten. Over deze bohemiennes had hij geen controle, maar over zijn kunstwerken wel. Wat hij niet kon doen met een vrouw van vlees en bloed, kon hij wel met een gipsen buste. Hij koos de meest klassieke weergave van een vrouw, het symbool voor vrouwelijkheid: Venus. En hij snoerde haar in. Wellicht om haar te straffen. Wellicht om het beeld dat men van vrouwen heeft te “restaureren” tot het verbitterde idee dat hij zelf had. Wellicht om deze vrouw simpelweg bij zich te kunnen houden.

coverhoofdbeeldman-ray-venus-restauree-detail-kopie
Detail van Man Ray,
Venus Restaurée (Gerestaureerde Venus), 1936 (1971). Collectie museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam.

Venus Restaurée behoort tot de permanente collectie van Museum Boijmans van Beuningen en is dus in principe altijd te bewonderen. En er is meer: tot en met 28 mei 2017 kun je meer van Man Ray en andere surrealisten zien in de tentoonstelling Gek van surrealisme. Maar hoe liep het dan af met Man Ray’s liefdesleven, vraag je? In 1940, vier jaar na Venus restaurée, ontmoette Man Ray Juliet Browner, de vrouw die tot aan zijn dood in 1976 aan zijn zijde zou blijven. Haar gezicht heeft hij niet verknipt, haar lichaam niet tot gebruiksvoorwerp gemaakt, niet ingesnoerd. Man Ray vereeuwigde Juliet op liefdevolle wijze in 50 portretten, The Fifty Faces of Juliet, die “de vijftig kanten van haar ziel” symboliseren. En ze leefden nog lang en gelukkig.

 

HIGHLIGHT #8 | De nieuwe Oude Meester | Kerry James Marshall

HIGHLIGHTS 31 januari 2017

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ neemt een van De Kunstmeisjes jullie daarom mee naar een van haar favorieten. Deze keer stelt Renee je voor aan Kerry James Marshall: de kunstenaar die het gapende gat in de kunstgeschiedenis opvult.

Doe even je ogen dicht en denk aan alle kunstwerken die je in je leven hebt gezien. Zie je al wat mooie portretten, landschappen met wandelaars en grote schilderijen met mythologische verhalen voorbij komen? Goed. Doe nu je ogen nog een keer dicht en probeer je wat gezichten van kunstenaars voor de geest te halen. Valt je iets op in beide gevallen? Juist, alleen maar blanke mensen. De voluptueuze vrouwen van Rubens: blank. Rubens zelf: blank. Picasso, Rothko, Rembrandt, de geportretteerden tijdens de Renaissance, Gouden Eeuw en nog tot diep in de twintigste eeuw: vrijwel allemaal blanke mensen. Eigenlijk best bizar hè? Dat vindt de Amerikaanse kunstenaar Kerry James Marshall ook. Hij besloot daarom dit grote gat in de kunstgeschiedenis op te vullen en ons het gemis van zwarte figuren eens goed duidelijk te maken. Hoog tijd om dus even stil te staan bij deze baanbrekende kunstenaar.

0918marshalljp1-master675
Kerry James Marshall in zijn studio. Foto door: Whitten Sabbatini via The New York Times.

Kerry James Marshall (1955) is in ‘the deep South’ in Alabama geboren, maar verruilde het zuiden van Amerika al op jonge leeftijd voor Los Angeles. In deze periode, de jaren 60, vertrokken veel Afro-Amerikanen naar andere delen van de VS, ook wel bekend als The Second Great Migration. In Los Angeles was de sfeer heel anders dan in het conservatieve zuiden: er werd actief gevochten voor gelijke rechten voor Afro-Amerikanen: de Black Power movement. In diezelfde periode ging Kerry James Marshall in Los Angeles kunstlessen volgen, studeerde hij af aan de Otis Art School en maakte hij kennis met verschillende kunstenaars die in de jaren 60 en 70 de kunstwereld hebben bepaald (Judy Chicago, Edward en Nancy Kienholz, Betye Saar). Tijdens zijn studies opende in Los Angeles ook het LACMA (Los Angeles County Museum of Art), waar kunst uit verschillende eeuwen en uit alle werelddelen te zien is. Deze twee factoren zijn vanaf dat moment de leidraad in Kerry James Marshalls eigen werk: het gevecht om Afro-Amerikanen een gelijkwaardige plek in de wereld te geven en zijn interesse voor kunstgeschiedenis.

untitledpainter
Kerry James Marshall, ‘Untitled (Painter)’, 2009, collectie Museum of Contemporary Art Chicago, Chicago

Kerry James Marshall geeft in zijn schilderijen zwarte mensen de hoofdrol. Deze groep is vrijwel volledig overgeslagen in de kunstgeschiedenis, niet als waardig erkend om een hoofdrol te spelen. Wanneer we goed naar alle schilderijen van de Oude Meesters kijken, zien we dat alle blanke figuren trots zijn afgebeeld. Zelfs de dronkaards van Jan Steen en de dienstmeisjes van Vermeer zijn zelfverzekerd en eisen hun ruimte binnen het schilderij op. Dat moesten de zwarte figuren in Kerry James Marshalls werken ook zijn: trots op hun aanwezigheid en hun afkomst. Om dit nog extra te benadrukken, heeft hij zijn hoofdpersonen de meest intense kleur zwart gegeven, die verder ook nergens in zijn schilderijen voorkomt.

Een voorbeeld van zijn werk zie je hierboven: Untitled (Painter) uit 2009. Op dit schilderij zien we een vrouw met een penseel en palet in haar hand: een kunstenares. Als je goed kijkt, zie je haar nog een keer in dit werk: op de achtergrond, nog niet ingekleurd. De vrouw is een zelfportret aan het maken. Met dit schilderij geeft Kerry James Marshall niet alleen de zwarte vrouw een plek in de kunstgeschiedenis, maar ook de zwarte kunstenaar. Want ja, ook zwarte mensen kunnen prachtige kunst scheppen. Wanneer we goed naar het schilderij in het schilderij kijken, lijkt Kerry James Marshall de zwarte vrouw als kunstenaar echter niet helemaal serieus te nemen; ze schildert op de manier van ‘paint by number’. Op deze manier schilderen, door de genummerde vakken in te vullen met de kleur die bij het nummertje hoort, dat kan zelfs een kind, toch? Maar als we kijken naar haar kleding en naar wat ze schildert, zien we dat ze het simpele systeem niet helemaal volgt. De vrouw vult de vakken naar eigen keuze in, zij bepaalt de regels en kiest zelf welke kleuren zij wil gebruiken.

0918marshall1-superjumbo
Kerry James Marshall, ‘De Style’, 1993, collectie Los Angeles County Museum of Art

Net als de vrouw in Untitled (Painter) uit 2009 bepaalt Kerry James Marshall zelf de regels. Als hij zou blijven werken in lijn met de kunstgeschiedenis, zouden we wellicht nog steeds alleen maar trotse blanke mensen zien in westerse kunst. Hij zegt met zijn werk echter stellig: zwarte mensen maken ook deel uit van de westerse cultuur en horen dus net zo goed thuis in westerse kunst. De kunstenaar gaat zelfs nog een stapje verder: niet alleen toont hij zwarte mensen, hij zet ze in composities die we gewend zijn van de Oude Meesters. Hiermee geeft hij ons, de wereld, een keiharde reality check: kijk eens wat we in de kunstgeschiedenis allemaal achterwege hebben gelaten, onzichtbaar hebben gemaakt, hebben moeten missen. Hetzelfde zien we terug bij de jongere kunstenaar Kehinde Wiley (1977) die portretten van zwarte mensen in de stijl van bekende oude meesters maakt. Kerry James Marshall, Kehinde Wiley, maar ook Lynette Yiadom-Boakye (1977) vormen een nieuwe generatie van kunstenaars die ons laten zien: de kunstgeschiedenis heeft kleur nodig.

kerry3
Kerry James Marshall, ‘Past Times 1997’, 1997, Metropolitan Pier and Exposition Authority, McCormick Place Art Collection, via Museum of Contemporary Art Chicago.


Helaas is Nederland nog niet helemaal up-to-date met het succes van deze kunstenaar, maar onze zuiderburen daarentegen wel. Welke vriend(in) zegt er nou nee tegen een weekendje Antwerpen? Hup naar naar het MUHKA in Antwerpen, want daar kennen ze Kerry James Marshall al best aardig, met 68 stuks in hun collectie: http://www.muhka.be/collections/artists/m/artist/1222-kerry-james-marshall/items

Kijk ook eens op de website van de Jack Shainman Gallery. Zij vertegenwoordigen onder andere het werk van Kerry James Marshall en Lynette Yiadom-Boakye. Maar scroll vooral even door de lijst met kunstenaarsnamen en onderzoek eens een kunstenaar die je niet kent.

HIGHLIGHT #7 | Hoe heurde het eigenlijk? | Museum Van Loon

HIGHLIGHTS 20 december 2016

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ neemt een van De Kunstmeisjes jullie daarom mee naar een van haar favorieten. Deze keer pakt Nathalie het net iets breder aan: ze ging op zoek naar de verhalen achter de collectie van Museum Van Loon en daar zitten een hoop smeuïge anekdotes tussen…

Sinds ik ‘Downton Abbey’ met maniakaal fanatisme heb gevolgd, kan ik geen genoeg krijgen van musea in historische panden. Naast het feit dat alle gouden ornamenten en rijk gedecoreerde behangetjes de ekster in mij doen ontwaken, vind ik het ontzettend interessant om te zien waar men vroeger de kunstwerken ophing nadat ze waren aangekocht. Hoewel een bezoekje aan het Rijksmuseum of het Mauritshuis altijd een feestje is, zie je daar de oude meesterwerken op een neutrale muur, netjes naast elkaar. Bij Museum Van Loon daarentegen krijg je er direct de oorspronkelijke context bij: welke schilderijen “hoorden” in de gang of in de slaapkamer, en waarom? Bovendien zit er achter elk portret, object en interieurstuk ook nog eens een verhaal verborgen dat direct verband houdt met de locatie. Tijd om een aantal van deze verhalen te verkennen.

dsc_0010-museum-van-loon-1-copy drakensteyn-room-photography-by-peter-kooijman
Links: Museum Van Loon | Rechts: De Drakensteynkamer, foto door Peter Kooijman

Een brede stenen trap – voor het extra vleugje chique – voert je naar de monumentale ingang van het museum aan de Keizersgracht. Dit woonhuis is in 1672 gebouwd voor Ferdinand Bol (nu vooral bekend van de straat, maar in de zeventiende eeuw een van Rembrandts meest succesvolle leerlingen). De familie Van Loon betrok dit pand pas in 1884 en woont er nog steeds, boven het deel dat nu het museum is. Tegenwoordig kun je zomaar naar binnen lopen, maar dat is niet altijd zo geweest.

In 1884 moest je eerst langs Thora van Loon-Egidius. Zij was Dame du Palais van koningin Wilhelmina en onderdeel van deze functie was het selecteren van dames die op bezoek mochten komen bij de koningin. Jongedames kwamen tijdens (maar een paar minuten durende) theekransjes uitleggen waarom zij de koningin wilden ontmoeten. Maar de echte selectie begon eigenlijk eerder; kwam je met je jas aan, dan was je al afgekeurd voor je daadwerkelijk binnen was gestapt. Dit betekende namelijk dat je lopend was gekomen en blijkbaar geen “passend” vervoer kon betalen. Thora houdt nog steeds iedere bezoeker goed in de gaten; haar portret hangt in de ‘Blauwe Salon’, rechts van de ingang.

mode-bij-van-loon-blauwe-salon-2
Het portret van Thora van Loon-Egidius in de Blauwe Salon (door Adolf Pfirsch, 1909). Foto via Museum Van Loon, gemaakt tijdens de tentoonstelling ‘Mode bij Van Loon’ eerder dit jaar.

Maar waarom één salon, als je er ook meerdere kunt hebben. Als je een stukje doorloopt op de eerste verdieping zie je aan je linkerhand de ‘Rode Salon’. Dit was het domein van de mannen. Na het diner trokken mannen zich hier terug om een sigaar te roken, zaken te doen en zich te vermaken met ongepaste grappen. Een geliefd onderwerp van spot en humor waren de familieportretten aan de muren. Een van de oude familieleden waar de mannen af en toe de slappe lach van kregen was Emmerentia van Loon-van Veen. Over haar werd gezegd dat ze er met de jaren alleen maar beter uit is gaan zien. Gezien haar vrij ongunstige collectie onderkinnen op latere leeftijd, was dit niet bepaald een compliment voor haar uiterlijk op jonge leeftijd

inv-0124-emmerentia-van-veen inv-0126-emmerentia-van-veen
Links: Emmerentia van Loon – Van Veen, 1642 (schilder onbekend). Collectie Museum Van Loon.  | Rechts: Wallerant Vaillant, Emmerentia van Loon – Van Veen, 1667. Collectie Museum Van Loon.

Voor een echt smeuïge roddel moet je echter naar boven, naar de ‘Rode Slaapkamer’ waar de heer des huizes sliep. Hier zie je aan de linkerzijde van het bed, verstopt achter de zuil, een kastje. Dit is alleen geen nachtkastje, maar een vermomde deur waar een gangetje achter verstopt zit. Deze geheime doorgang leidde naar de bedstee in een andere kamer (en nu komt het sappige deel van het verhaal): zo kon de man stiekem wat nachtelijk plezier beleven met een van zijn vrouwelijke gasten zonder door de hoofdgang te moeten lopen. Zijn echtgenote sliep aan de overkant van de gang en had dus niets door. Sneaky bastard.

slaapkamer-h-des-huizesDe Rode Slaapkamer met (vanuit dit perspectief gezien) rechts achterin het geheime deurtje.

Voor mijn favoriete kamer moeten we weer terug naar beneden, naar de tuinkamer. Dit was het persoonlijke kamertje van Thora van Loon-Egidius; zij ontving hier goede kennissen. Maar net als de jongedames die bij haar op de proef kwamen voor een bezoek bij de koningin, konden ook haar eigen vrienden niet om haar strenge etiquette-gevoel heen. Wanneer je op de thee kwam, was het netjes (en dus absoluut noodzakelijk) om een geschenk mee te nemen. In de vitrine zien we bijvoorbeeld een donkerblauwe vaas; deze is in 2002 door de kroonprins van Japan meegenomen als geschenk. Want dat ‘heurt’ nog steeds en Thora is always watching.

museum-van-loon-garden-room-photo-by-tom-elstDe Tuinkamer, foto door Tom Elst. Nu kun je in plaats van de fauteuils een kerstboom bewonderen in deze ruimte, voor de extra holiday vibes!


Meer spannende verhalen horen én zien? Bezoek Museum van Loon dagelijks van 10-17 uur. Meer informatie: http://www.museumvanloon.nl/

 

 

 

HIGHLIGHT #6 | #foodporn in de zeventiende eeuw | Frans Hals Museum

HIGHLIGHTS 17 november 2016

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ neemt een van De Kunstmeisjes jullie daarom mee naar een van haar favorieten. Deze keer laat Emma zich verleiden door een food fest in het Frans Hals Museum in Haarlem.

image1
Pieter Claesz., Banketje met kaas en vruchten, ca. 1623

Verlekkerd naar plaatjes van mooi eten kijken is van alle tijden; nu kijken we naar healthy overnight oats met een vleugje kaneel en wat granaatappelpitjes op Instagram, maar ook in de zeventiende was een geschilderd food fest ontzettend populair. Hoewel tegenwoordig elke #fitgirl met een Instagram-account zich een meester van het stilleven kan voelen, was dit in de zeventiende eeuw een professionele tak van sport.

Er was in de Gouden Eeuw enorm veel vraag naar schilderijen, waardoor kunstenaars zich als gauw in specifieke genres gingen specialiseren om zich zo te kunnen onderscheiden van hun concurrenten. Kunstenaars als Pieter Claesz. en Willem Heda richtten zich op stillevens van eten, maar er waren ook schilders die alleen maar bloemen schilderden. Het schilderen van stillevens was een mooie kans voor een schilder om te laten zien wat hij in huis had – de glans van een kristallen kelk, de zachtheid van het tafellaken, en een glimmende oester naast een doffe korst brood maakte het verschil tussen good or great.

Deze geschilderde hapjes gingen als warme broodjes over de toonbank en nog steeds hangen ze op prominente plaatsen in vele musea. Zo hangt het Frans Hals Museum – in een prachtig Haarlems hofje, dat sowieso een bezoekje waard is – vol met allerlei schilderijen vol brood, oesters en glazen kannen. Elke keer wanneer ik het museum bezoek, blijf ik even staan bij de stillevens van Pieter Claesz, de Vlaamse schilder die aan het begin van de zeventiende eeuw vanuit België naar Haarlem trok. Claesz was -net als ik – een foodie, en besloot zich te specialiseren in banketjes en ontbijtjes. Een man naar mijn hart.

Op Claesz.’ Banketje met kaas en vruchten lijken de etenswaren nonchalant gerangschikt. De boter is even op de kaas gezet, het brood is afgesneden en de noten zijn al gekraakt. Het lijkt alsof het etentje tijdelijk is onderbroken en precies op dat moment is vastgelegd. Toch bestaat het schilderij niet alleen uit de mooi weergegeven etenswaren. Het vastgelegde moment is het einde van de maaltijd geweest; in de zeventiende eeuw werd geadviseerd om de maag na het hoofdgerecht ‘af te sluiten’ met wrange vruchten, kaas en noten. Vooral oude kaas zou een gunstige werking hebben op de spijsvertering. Dat waren nog eens tijden – oude kaas in plaats van chiazaad en quinoa. Dus elke dag een kaasplank als dessert, am I right?

image2 image3
Links: Emma voor Pieter Claesz., Banketje met kaas en vruchten, ca. 1623. Rechts: detail van Banketje met kaas en vruchten, ca. 1623.

Wat zeventiende-eeuwse stillevens extra leuk maakt, is dat er vaak nog wat verborgen betekenissen verscholen zitten. Zo zien we de boter bovenop de kaas staan, wat verwijst naar het Oud-Hollandse gezegde: ‘zuivel op zuivel, dat is het werk van de duivel.’ Oftewel, twee lagen zuivel op elkaar, vaak boter en kaas, is een overdadige luxe. Dit stilleven zou dus ook een waarschuwing kunnen zijn dat men niet moest vergeten sober te blijven. Tsja, dat moeten we Claesz maar even vergeven.

Claesz laat in dit ogenschijnlijk simpele schilderij van eten ook nog wat vaderlands trots blijken. Kaas was immers toen al een van ‘s Hollands belangrijkste exportproducten, en Claesz heeft ze dus groot en opvallend afgebeeld. Verder zien we ook een gouden drinkschaal, een zogenoemde tazza. Deze ging de tafel rond tijdens chique etentjes in goed gezelschap, om zo samen te genieten van een glaasje rood. Gelukkig is die traditie niet meer in leven, want hell no dat ik mijn glas wijn deel.

image4
Willem Claesz Heda, Stilleven met aangebroken pastei, 1633. 

Het is makkelijk om snel aan stillevens voorbij te lopen. Op het eerste gezicht lijkt er namelijk niets bijzonders aan een tafel met kaas en brood. Maar hoe langer je blijft kijken, des te meer er te ontdekken valt. Niet alleen zijn de verschillende texturen waanzinnig knap uitgevoerd, het is ook altijd leuk om te speuren naar symbolen. Hoe meer je je in de historische betekenis van deze alledaagse producten verdiept, des te meer komt het etentje tot leven. En hoe langer je blijft kijken, des te meer cravings je krijgt voor goede oude kaas, die (godzijdank) tegenwoordig overal verkrijgbaar is.


Trek gekregen? Vergeet Instagram en Pinterest, en ga op zoektocht naar de mooiste geschilderde #foodporn in onder andere het Rijksmuseum, Museum Boijmans van Beuningen, Rijksmuseum Twente, en het Dordrechts Museum. Ik maak in de tussentijd een kaasplankje – om op te eten, niet om te schilderen. Bon appétit!

 

HIGHLIGHT #5 | De schoonheid van cellulitis | Museum Van Loon

HIGHLIGHTS 31 augustus 2016

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen, als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ neemt elk van De Kunstmeisjes jullie daarom mee naar haar favorieten. Deze keer vertelt Mirjam over de ultieme realiteit achter de gefotoshopte portretten van Asger Carlsen, nog maar tot 16 september te zien in Museum Van Loon.

In de foto’s van onszelf poetsen we het liefst weg wat we liever niet willen zien. Een filtertje kan al een hoop verdoezelen; wie het wat serieuzer aanpakt, retoucheert wat hier en daar. In de modefotografie draait men zijn hand er niet meer voor om even het hoofd van een model op de ene foto aan haar lichaam op de andere foto te shoppen, als dat de ideale pose en de perfecte gezichtsuitdrukking kan samenbrengen. Problem solved, als het nemen van de perfecte foto maar niet wil lukken. Andere menselijke eigenschappen, zoals lichaamshaar en poriën in de huid, bestaan überhaupt niet in deze geïdealiseerde wereld. Het is ook eigenlijk niets nieuws: we weten dit allemaal, zijn eraan gewend en laten ons er nog steeds maar al te graag door (ver)leiden.

Hester 8 - Asger Carlsen Hester 16 - Asger Carlsen
Links: Hester (8), 2012 ⓒ Asger Carlsen | Rechts: Hester (16), 2012 ⓒ Asger Carlsen

In dat opzicht lijkt het alsof de Deense kunstenaar Asger Carlsen het allemaal opzettelijk fout doet. In zijn serie Hester boetseert hij het menselijk lichaam tot een absurde versmelting van lichaamsdelen. Wat begint met een uurtje snapshots nemen van vrouwelijke modellen in zijn studio, eindigt in een uren-, zelfs dagenlang creatief proces op de computer met Photoshop. De imperfecties van het menselijk lichaam die normaal gesproken juist met dit programma worden weggepoetst, zoals rimpels, vetkwabben en huidstriemen, worden door Carlsen juist benadrukt als esthetische elementen. Ze dragen zelfs bij aan de bizarre geloofwaardigheid van het beeld, samen met de weloverwogen composities van de lichamen en de accurate belichting. Je weet dat het beeld nooit echt waar kan zijn, en toch ziet het er achterlijk aannemelijk uit. Een mindfuck die, in the end, wellicht geloofwaardiger is dan de beelden die we in menig mode- en beautytijdschrift zien.

Hester 13 Asger Carlsen Hester 19 - Asger Carlsen
Links: Hester (13), 2012 ⓒ Asger Carlsen | Rechts:  Hester (19), 2012 ⓒ Asger Carlsen

Maar Asger Carlsen was niet zozeer geïnteresseerd in het agiteren tegen de mode- en glamourfotografie. Zijn beweegredenen lagen heel ergens anders. Hij was zijn carrière al op jonge leeftijd begonnen als crime scene-fotograaf, waarna hij zich meer ging ontplooien als commercieel fotograaf en zijn geluk zelfs durfde te beproeven in New York, waar hij nog steeds woont. Maar hij had geen zin meer om nog de straat op te hoeven gaan om te fotograferen. Na 25 jaar verlangde hij naar een ander werkproces, zoals dat van een schilder of beeldhouwer in een atelier.

De titel ‘Hester’ verwijst naar het adres van Carlsens studio, Hester Street in Chinatown te New York. Iedere foto uit de serie is genomen in zijn bescheiden appartement slash studio, waarin we soms een simpel meubelstuk zien figureren tegen steeds weer diezelfde kale witte muur, en we de indruk krijgen van een vrij sober bestaan. Vervolgens uren achter de computer – dat is toch niet hetzelfde als het romantische idee van de kunstenaar, sigaret tussen de lippen, fles wijn in de ene hand en een kwast in de andere, turend naar zijn levende naaktmodel. Maar wat misschien toch wel tot de verbeelding spreekt is dat fotografie niet meer het medium van deze fotograaf is, maar zijn materiaal, dat hij in zijn studio kneedt tot nieuwe, sculpturale vormen. Kunstenaarschap 2.0, zou je kunnen zeggen.

Museum_Van_Loon_Photography_Laura_Ellen-5
Foam in Van Loon IV | Second Skin, Hester van Asger Carlsen in Museum Van Loon Laura Ellen

De reacties op Carlsens werk variëren van adembenemende verwondering tot kreten van afschuw. Als je je niet meteen af laat schrikken door de misvormingen van zijn vrouwelijke wezens – bovenbenen en armen die eindigen in stompjes, drie billen op twee benen, een ruggengraat die overloopt in een vagina – dan roept het werk steeds meer vragen op. Maybe it’s just me – maar ligt er geen onmetelijke schoonheid in de zacht blubberende billen en kronkelende lichamen, alsof daarin vrouwen worstelen om zich letterlijk te ontplooien, als rupsen die zich ontpoppen uit hun cocon?

Het is alsof Carlsen teruggrijpt op het oude schoonheidsideaal van de Rubensvrouw, toen cellulitis nog mooi was (met dank aan de zestiende-eeuwse schilder Peter Paul Rubens met bijvoorbeeld zijn De Drie Gratiën). Of stel je deze foto’s eens voor als driedimensionale sculpturen, gemaakt van marmer of brons. De lichamen zouden dan hyperesthetische vormen worden, als de sculpturen van Henry Moore, die door het verlies van de meest in het oog springende lichamelijke oneffenheden niet meer dezelfde geloofwaardigheid zouden hebben en daardoor tegelijkertijd minder ‘eng’ zijn. Zoekt Asger Carlsen net als vele andere kunstenaars naar de essentie van het vrouwelijk lichaam? En is zijn essentie eigenlijk niet veel minder eng dan de gladgestreken vrouwen op de cover van de Glamour?


Een selectie beelden uit de serie Hester van Asger Carlsen is nog t/m 18 september 2016 te zien in de tentoonstelling ‘Foam in Van Loon IV | Second Skin’ in Museum Van Loon. Meer informatie: http://www.foam.org/nl/museum/programma/second-skin

HIGHLIGHT #4 | Sfeervolle TL-buizen | Stedelijk Museum

HIGHLIGHTS 23 augustus 2016

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen, als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ neemt elk van De Kunstmeisjes jullie daarom mee naar haar favorieten. Deze keer vertelt Renee waarom tl-buizen in het museum thuishoren, als kunst welteverstaan.

Vandaag wil ik het hebben over niets minder dan de tl-buis. Ik hoor je al denken, ‘Maar het gaat toch over kunst?’ Jazeker! Hoewel dit o zo sfeervolle staaltje techniek – dat al sinds de jaren 30 bestaat – vooral bekendstaat als zoemend decorstuk in menig snackbar, heeft het nieuw leven gekregen dankzij een van mijn favoriete kunstenaars: Dan Flavin – de man die de tl-buis uit de doe-het-zelfzaak naar het museum haalde.

Wanneer je in het Stedelijk de beroemde grote trap op loopt, zou je Dan Flavin zomaar voorbij kunnen lopen. Maar als je even omhoog kijkt, zie je meteen niet minder dan twee lichtinstallaties van de Amerikaanse kunstenaar. Hoewel ik beloof hier later nog even op terug te komen, gaan we eerst even verder. Hup, de trap op en naar links, naar zaal 1.4. Daar zie je in de hoek het werk Untitled (to Barnett Newman to commemorate his simple problem, red, yellow and blue) uit 1970.

IMG_7936

Dan Flavin, Untitled (to Barnett Newman to commemorate his simple problem, red, yellow, and blue), 1970. © c/o Pictoright, Amsterdam 2004 / Stedelijk Museum Amsterdam.

Even ter introductie: waar kijken we eigenlijk naar? In de hoek staan zes tl-lampen; twee horizontaal en vier verticaal. We zien drie kleuren in totaal: rood, geel en blauw. Dit is niet zonder betekenis; de kleuren corresponderen met de titel van het werk, die samen direct verwijzen naar een werk van kunstenaar Barnett Newman, Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue uit 1967-68. In 1970 overleed Newman, goede vriend van Flavin, en het werk is gemaakt als eerbetoon aan de kunstenaar en zijn denk- en werkwijze.  

Flavin behoorde tot de groep kunstenaars die we ‘minimalisten’ noemen. Het kenmerkende aan deze kunststroming is dat er minimale zelf-expressie in de kunst aanwezig is. Dit houdt in dat het niet gaat om emotie van de kunstenaar, maar om materiaal, vorm en kleur. De werken stralen rust en balans uit, geen persoonlijke poespas.

Hoewel Flavin begon met schilderijen en tekeningen, ging hij begin jaren 60 experimenteren met licht in zijn kunstwerken. Hij kwam tot de overtuiging dat licht veel krachtiger is dan verf, en vanaf 1963 tot aan zijn dood in 1996 werkte hij alleen nog maar met tl-buizen. Je moet nagaan dat in de jaren 60 tl-buizen het nieuwste van het nieuwste waren, en net als nu verkrijgbaar in elke doe-het-zelfzaak. Juist deze verkrijgbaarheid sprak Flavin aan; hij was van mening dat in hedendaagse kunst commerciële materialen centraal moeten staan. Hij besloot daarom ook om alleen de standaardmaten- en kleuren van TL-buizen te gebruiken voor zijn kunstwerken.

Misschien denk je nu, ‘Maar waarom is dit kunst?’ Maak je geen zorgen, je bent niet de enige. Critici in Flavins tijd wisten zich absoluut geen raad met deze tl-buiskunst. Niemand had tot dan toe zulke kunst gezien en ook konden ze in hun beschrijvingen ervan nergens op terugvallen. Dit leidde tot veel onbegrip: “Dan Flavin has ruined electric light for me, I’m going back to candles,” aldus criticus Tom Doyle. Het is inderdaad soms moeilijk om gebruiksvoorwerpen te zien als kunst. In ons denkkader zijn ze nu eenmaal al gekoppeld aan een functie. Maar juist met dit gegeven speelden veel kunstenaars, sinds Duchamp voor het eerst een urinoir uitkiest om op een sokkel te zetten in zijn werk Fountain uit 1917.

Maar als we onze geest een beetje oprekken, zien we meer dan alleen tl-buizen wanneer we naar Flavins werk kijken. Bedenk je eens een aan- en uit-knop. Als je het licht uitzet, zie je alleen de armaturen: niks aan. Maar wanneer je het werk aanzet, gebeurt er bijna iets magisch. Het is alsof vloeibare verf de muren en de ruimte kleurt. Dit is ook precies wat ik zo gaaf vind aan zijn werk: heel de ruimte staat in het teken van dit ene werk en wordt erdoor beïnvloed. Untitled (to Barnett Newman to commemorate his simple problem, red, yellow and blue) staat in het Stedelijk bovendien ook in een hoek; een plek die veel kunstenaars overslaan, wordt door Flavin optimaal benut.

2012.1.0082+83

Dan Flavin, Untitled (to Piet Mondrian through his preferred colors, red, yellow and blue) ‘Untitled (to Piet Mondrian who lacked green) 2’, 1986. © 2012 Stephen Flavin / © c/o Pictoright, Amsterdam 2004 / Stedelijk Museum Amsterdam.

Flavin was echter niet alleen bezig met het mooi ophangen van een paar tl-buisjes. Door middel van de titels van zijn werken verwees hij bewust naar andere kunstenaars en de kunstgeschiedenis. We hebben het eerbetoon aan Barnett Newman al gezien, maar Flavin was ook niet vies van een grapje. Zoals je misschien al weet, wilde de kunstenaar Piet Mondriaan alleen maar met drie kleuren werken: rood, geel en blauw. Als we weer even terug lopen naar de hal van het museum, zien we twee werken die Flavin maakte met Mondriaan in gedachten: Untitled (to Piet Mondriaan through his preferred colors red, yellow and blue) met daarbij het werk Untitled (to Piet Mondriaan who lacked green). Flavin mengde op deze manier de door Mondriaan zo gehate kleur groen door de primaire kleuren heen.

Als je dus binnenkort een werk van Flavin tegenkomt, hoop ik dat je er aan denkt ook even de titel ook te bekijken; deze is net zo belangrijk als het werk zelf. Oh,  en vergeet niet het licht uit te doen als je weggaat.

dan-flavin.png

Dan Flavin naast ‘The Nominal Three (to William of Ockham)’, 1963 in Green Gallery (1964.) © 2011 Stephen Flavin / Artists Rights Society (ARS), New York. Via The Solomon R. Guggenheim Museum, New York. 


HIGHLIGHT #3 | Meesterlijke selfies | Museum Het Rembrandthuis

HIGHLIGHTS 16 augustus 2016

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen, als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ neemt elk van De Kunstmeisjes jullie daarom mee naar haar favorieten. Deze keer gaat Nathalie in Museum Het Rembrandthuis op bezoek bij de meester van de selfie.  

Laten we het niet ontkennen: ik doe het, jij doet het, degene die op dit moment links van je zit doet het – selfies maken. Hoewel meesten van ons dit staaltje virtueel narcisme nog enigszins proberen te verhullen door middel van grappige bijschriften en allerhande attributen, zijn er ook mensen – Kim K., wie kent haar niet – die er hun carrière van hebben gemaakt. Maar als je denkt dat de selfie pas zijn intrede heeft gemaakt sinds de uitvinding van de smartphone en een scala aan flatterende Instagram-filters, think again. Er is namelijk één onbetwiste meester van de selfie, en hij deed het lang voordat wij het woord ook maar hadden bedacht: Rembrandt.

REMBRANDT1

Links: Rembrandt, Zelfportret, fronsend, 1630 | Rechts: Rembrandt, Zelfportret met verbaasde blik, 1630 | Collectie Museum Het Rembrandthuis, Amsterdam

Rembrandt heeft gedurende 40 jaar zijn eigen gezicht minstens 40 keer geschilderd, meer dan 30 keer geëtst en ook nog een aantal keer getekend. Een blik op de vier zelfportretten uit 1630-1631 die we hier zien, stelt ons in ieder geval een beetje gerust: ook Rembrandt wist dat de perfecte selfie niet in één keer gemaakt is. Rembrandt maakte deze zogenaamde ‘tronies’ als oefening voor zijn andere schilderijen en etsen, om uit te vinden hoe hij verschillende emoties het beste kon uitdrukken. Hiervoor keek hij uitvoerig naar zichzelf in de spiegel, terwijl hij verschillende (gekke) gezichten trok. Een beetje hoe ik er uitzie terwijl ik eyeliner netjes probeer aan te brengen, stel ik me zo voor.

REMBRANDT2

Links: Rembrandt, Zelfportret met muts, grijnzend, 1630 | Rechts: Rembrandt, Zelfportret met bontmuts, 1631 | Collectie Museum Het Rembrandthuis, Amsterdam

Nu lijken een dertigtal etsen met een zelfportret misschien niet veel, aangezien dat de gemiddelde hoeveelheid selfies is die je tegenwoordig tijdens één sessie neemt als het licht precies goed valt en je net naar de kapper bent geweest (or is that just me?). Maar een ets maken is niet hetzelfde als op dat knopje aan de zijkant van je iPhone drukken; Rembrandt graveerde eerst met een naald of burijn zijn eigen gezicht in spiegelbeeld (!) in een koperplaat, om vervolgens nog vele andere stappen uit te voeren, voordat hij zijn eigen beeltenis op een vel papier kon afdrukken. Het maken van een écht zelfportret is dus alsof je een wintertrui met zes verschillende printjes voor een volgroeide olifant wil breien. (Het duurt lang, dat is het punt wat ik probeer te maken). Maar hoe zit het met zijn andere zelfportretten? Voor wie maakte Rembrandt deze dan?

REMBRANDT3

Links: Rembrandt, Zelfportret met opgeheven sabel, 1634. Museum Het Rembrandthuis, Amsterdam | Rechts: Rembrandt, Zelfportret, ca. 1669. Galleria degli Uffizi, Florence

In tegenstelling tot de ‘tronies’, die Rembrandt voor zichzelf maakte, was er zeker een markt voor zijn andere zelfportretten. Sinds de vroege Renaissance genieten kunstschilders een hoge status, terwijl ze daarvoor slechts als ambachtslieden werden gezien. Vanaf dat moment werden de meest getalenteerde schilders ‘uomini famosi’ (beroemde mannen) genoemd, en wilden belangrijke verzamelaars een zelfportret van deze schilders hebben. Hiermee sloegen ze twee vliegen in één klap: ze hadden een schilderij van hun geliefde kunstenaar, én hun beeltenis voor aan de muur (net zoals tienermeisjes tegenwoordig posters van One Direction in hun kamer ophangen – wederom: niets is nieuw in deze wereld). Voor een kunstenaar was een zelfportret dus een soort visitekaartje, waarmee hij zichzelf én zijn werk kon promoten. Ook Rembrandts zelfportretten hingen in belangrijke collecties, zoals bijvoorbeeld zijn Zelfportret uit ca. 1669, dat door Cosimo III de’ Medici in datzelfde jaar werd aangekocht en nog steeds in Florence hangt.

De les die we van Rembrandt kunnen leren is simpel: een goede selfie kan meer zijn dan alleen een uiting van ijdelheid – het is ook een uitstekend visitekaartje! Met een beetje oefenen en de juiste belichting kan het namelijk zomaar in een beroemde kunstcollectie terechtkomen. Just don’t tell Kim Kardashian


Rembrandts “selfie-etsen” zijn nog t/m 29 september 2016 te zien in de tentoonstelling ‘Rembrandt, de etser’ en behoren tot de vaste collectie van Museum Het Rembrandthuis. Meer informatie: http://www.rembrandthuis.nl/nl/bezoek/tentoonstellingen/rembrandt-de-etser/

HIGHLIGHT #2 | Helemaal zen met Willem de Kooning | Stedelijk Museum

HIGHLIGHTS 10 augustus 2016

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen, als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ neemt elk van De Kunstmeisjes jullie daarom mee naar haar favorieten. Deze keer mijmert Emma voor de duizendste keer over haar lievelingsschilderij in het Stedelijk Museum.

Van ‘dat kan mijn kleine zusje ook’ tot een eindeloos verhaal over drie strepen op een doek – abstracte kunst is moeilijk te beschrijven. Soms hoeft dat ook niet, en spreekt het werk voor zich. Je kunt er dan het best gewoon naar kijken en het zelf ervaren. Not to worry: dit wordt geen les mindfulness met kunst, maar het verhaal achter Rosy-Fingered Dawn at Louse Point van Willem de Kooning. Het schilderij bestaat uit grote kleurvlakken van lichtroze, crème-wit, lichtgeel, ijsblauw en een bruin die die je doet denken aan je koffie verkeerd in de ochtend. De verf is in dikke lagen aangebracht – deze techniek wordt ‘impasto’ genoemd – waardoor het doek een textuur krijgt die je het liefst even aan wilt raken.

Willem de Kooning

Willem de Kooning, Rosy-FIngered Dawn at Louse Point, 1963 © The Willem de Kooning Foundation, c/o Pictoright Amsterdam/Stedelijk Museum Amsterdam

Willem de Kooning werd in 1904 in Nederland geboren maar vertrok op 22-jarige leeftijd naar de Verenigde Staten. Hij was brutally honest in zijn motieven om te verhuizen: “To become a commercial artist, make a lot of money, play a lot of tennis, and find those long-legged American girls”. Dat geld verdiende hij nog niet meteen, een kunstenaar werd hij wel. En hij maakte werkelijk alle clichés waar: hij was arm, altijd aan de drank en vaak depressief. Het ging zelfs zo ver dat wanneer hij een schilderij had gemaakt dat hij zelf niet mooi genoeg vond, hij het verwoestte. In dit Rock ‘n Roll-leven speelden ook vrouwen een belangrijke rol, die op veel van zijn schilderijen te zien zijn. Nu zijn op Rosy-Fingered Dawn at Louse Point in eerste instantie geen vrouwen bekennen. Maar het lichtroze op het doek heeft de kleur van huid, en De Kooning geloofde dat ‘The landscape is in the woman and there is woman in the landscape’. Daar kan geen enkele Kanye West-lyric tegenop hoor.

Willem de kooning 2

Willem de Kooning in his studio, East Hampton, Long Island, 1966. Courtesy Masters & Masterworks Productions.

Rond 1960 besloot De Kooning zijn atelier in het drukke New York achter te laten en te verhuizen naar Long Island, vlakbij de Atlantische Oceaan. Het licht, de zee en het landschap hier deden de kunstenaar denken aan zijn geboorteland. Elke ochtend vroeg fietste hij naar het water, om het licht en de lucht op het mooiste moment te kunnen zien. Het is dit moment dat hij heeft vastgelegd in Rosy-Fingered Dawn at Louse Point. De titel ontleende hij aan de Griekse dichter Homerus, die de dageraad verbeeldde als roze vingers, die de opkomende zon over de aarde uitstrekt. In het schilderij zien we ook als het ware de gele zon door de witte wolken breken, waardoor een roze gloed ontstaat.

De toenmalig museumdirecteur van het Stedelijk vond ‘dat De Kooning in een bepaald opzicht toch een Nederlander was gebleven, in zijn liefde voor licht en water’. Ook was hij meteen onder de indruk van de vernieuwende schilderstijl van De Kooning en kocht het werk aan als nieuw topstuk voor het Stedelijk: een combinatie van the new hottest thing en vaderlands trots.

image1

Het schilderij is nog steeds te bewonderen als onderdeel van de vaste collectie van het Stedelijk. Elke keer als ik voor dit schilderij sta, denk ik aan De Kooning die na zijn wilde leven de rust vond bij de opkomende zon over Atlantische oceaan. Ik waag me nog altijd niet aan mindfulness, maar één blik op dit werk en je vergeet alles om je heen. Dus wanneer je drukke baan, de keuzestress over welk festival je dit weekend moet bezoeken en negentig ongelezen berichten op je telefoon je te veel worden, blijf dan een kwartiertje staren naar Rosy-Fingered Dawn at Louse Point. Daar kan geen meditatieles of yogasessie tegenop.  


 

HIGHLIGHT #1 | Oopjens little black dress | Rijksmuseum

HIGHLIGHTS 2 augustus 2016

Sommige kunstwerken en kunstenaars kunnen niet genoeg aandacht krijgen, als je het ons vraagt! In onze rubriek ‘Highlights’ neemt elk van De Kunstmeisjes jullie daarom mee naar haar favorieten. Deze keer vertelt Nathalie over ‘the little black dress’ van Oopjen Coppit, nu te zien in het Rijksmuseum.

Graag wil ik beginnen met een persoonlijke bekentenis: ik kijk alle bruiloftsprogramma’s van TLC. Say Yes To The Dress, Four Weddings, Curvy Brides – er gaat een bepaalde magie uit van vrouwen die op het punt staan om te gaan trouwen en zich om die reden in een kanten parachute van 4000 dollar hijsen. Ongeacht het programma, er is één onveranderlijk element dat altijd in de spotlight staat: de witte jurk. Wie tegenwoordig trouwt, trouwt in het wit. Maar als je een bezoekje brengt aan het Rijksmuseum, merk je al snel dat dat niet altijd zo is geweest. Daar hangen sinds een maand namelijk de veelbesproken huwelijksportretten van Rembrandt: Marten Soolmans en Oopjen Coppit. Een opmerkelijk detail: Oopjen draagt haar zwarte (!) trouwjurk.

Marten Soolmans Oopjen Coppit
Rembrandt, Portret van Marten Soolmans (links) en portret van Oopjen Coppit (rechts), 1634. Gezamenlijke aankoop van de Staat der Nederlanden en de Republiek Frankrijk, collectie Rijksmuseum/collectie Musée du Louvre

Oopjen Coppit was een vrouw uit de Amsterdamse regentenklasse, die bestond uit (voormalige) kooplieden die het tot stedelijke bestuurders hadden geschopt. Haar echtgenoot Marten Soolmans behoorde tot de nouveau riche van Amsterdam. Een stel met geld, om het maar bondig samen te vatten, maar geen adel. Dat laatste is belangrijk, want als er één ding was dat rijke burgers in de zeventiende eeuw wilden, dan was het wel om zich in stijl en voorkomen te kunnen meten aan hun blauwbloedige medeburgers. Sommige dingen veranderen nooit; zoals wij tegenwoordig laten zien hoe cool we zijn door op social media jaloersmakende foto’s op hippe evenementen te posten, zo etaleerde men in de zeventiende eeuw zijn status door een stel chique portretten te laten maken. Oopjen vormde hier geen uitzondering op; niet alleen is ze naar voorbeeld van de Europese adel ‘ten voeten uit’ (in volle lengte) geportretteerd, ook heeft ze haar beste jurk aangetrokken – haar trouwjurk.

Hoewel wij nu niet zo snel in onze trouwjurk op bijvoorbeeld een Nieuwjaarsborrel zouden verschijnen, was dit geen gek idee in de zeventiende eeuw. Het was zelfs heel gewoon om je trouwjurk vaker te dragen, naar formele gelegenheden. En deze jurk was voor welvarende dames altijd zwart. Paradoxaal genoeg was zwart de kleur van soberheid en bescheidenheid, maar ook de “kleur van geld”. Om zijde een hele diepe zwarte kleur te geven, moest men de stof namelijk tot drie keer toe in verf baden, wat een stuk duurder was dan met lichtere kleuren. Wilde je laten zien dat je tot de stedelijke elite behoorde en op de hoogte was van de laatste mode, trok je je zwarte jurk uit de kast. Ziehier, de oorsprong van de grootste hype in modeland: the little black dress. Bijkomend voordeel in de ogen van de zeventiende-eeuwse dames: zwart laat je bleker lijken, en – goed nieuws voor mensen met een hardnekkige zonneallergie – bleek is volgens de standaard van de Gouden Eeuw precies wat je moet zijn. Dat is ook de reden waarom Oopjen een zwarte sluier draagt: ze is niet in rouw, maar ze benadrukt haar bleke huid om te voldoen aan het schoonheidsideaal.

Oopjen detail (sluier)Detail met Oopjens zwarte sluier en bleke teint

Hoe zijn we dan op de witte trouwjurk gekomen? Er zijn wel degelijk voorbeelden bekend van dames die trouwden in zilverachtig wit, maar deze vrouwen waren allemaal van adel. Om het nog even duidelijk te maken: stedelijke elite en adel waren niet hetzelfde. Hoe rijk en machtig je ook was (elite), je was niet automatisch verheven tot de adelstand. Zilverachtig wit dragen op je bruiloft zonder een titel was dus not done. In 1840 veranderde echter alles, na de bruiloft van Koningin Victoria van Engeland. Een populair vrouwenblad liet er kort na de royal wedding geen twijfel over bestaan dat wit de enige acceptabele kleur voor trouwjurken is, voor álle vrouwen: “It’s an emblem of the purity and innocence of girlhood, and the unsullied heart she now yields to the chosen one.”

Hoewel haar zwarte trouwjurk dus al lang niet meer als modieus gezien kan worden, komt Oopjen toch als grote overwinnaar uit de bus, als je het mij vraagt. Haar bijna 380 jaar oude portret – en daarmee haar zwarte trouwjurk – is tegenwoordig immers wel een whopping 80 miljoen euro waard. Daar kunnen de trouwjurkconsultants van Say Yes To The Dress alleen van dromen.

Oopjen en haar zwarte jurk (en haar man natuurlijk) zijn nog t/m 2 oktober 2016 te bewonderen in het Rijksmuseum. Meer informatie: https://www.rijksmuseum.nl/nl/marten-en-oopjen


Bron: Marieke de Winkel, Fashion and Fancy. Dress and Meaning in Rembrandt’s Paintings, 2006 (Amsterdam University Press)